Bouw en Techniek
Voorheen meende men dat de Zeddamse molen tevens als verdediging- of kruittoren dienst heeft gedaan en dat ze daarom zo zwaar van constructie is. De robuuste bouw is echter uit bouwkundig oogpunt nodig geweest. Om voldoende hoogte te kunnen bereiken moesten de muren aan de basis erg dik zijn (tot 2.80). Dit omdat het middeleeuwse metselwerk erg zacht van samenstelling was. Bovendien was het nuttig dat de molen tegen een stootje kon om de voortgang van de molen, ook in oorlogstijd, veilig te stellen.
De molen bestaat uit een invaart met bergruimte in de belt op de begane grond, een maalzolder, steenzolder, luizolder en kapzolder. Het kruien, d.w.z. het op de wind richten van de wieken en de kap, gebeurt handmatig binnen op de kapzolder. De wieken hebben een gevlucht (de lengte van top tot top) van plm. 26,5 meter. Op de luizolder bevindt zich een stookplaats met rookkanaal. De ruimte tussen de begane grond en de luizolder werd voor 1839 niet benut. De invaart ging niet verder dan de buitenmuur. Via een luik in het houten plankier was men in staat om de zakken met graan naar boven te luien (takelen).
De ingang van de molen bereikte men via een rondlopende buitentrap. Vandaar dat u op de luizolder een buitendeur aantreft. In 1839 werd de onbenutte ruimte in de molen functioneel gemaakt. Er zijn toen twee maalsteenkoppels geplaatst, zodat de molenaar meer maalcapaciteit kreeg.
Op de maalzolder bevindt zich een zogenaamd plasgootje onder het raamluikje. Hier kon de molenaar zijn “kleine boodschap” doen.
Als er geen wind was kon voor het malen van graan worden uitgeweken naar de tegenoverliggende Rosmolen. In 1973 is deze molen gerestaureerd.
De laatste restauratie van de Grafelijke torenmolen vond plaats in 2005. Het gevlucht is toen in zijn geheel vervangen en de muren zijn hersteld. De gemetselde invaart is weer in originele staat gebracht.
|